Het militante LGBT-milieu en deportatie op grond van homoseksualiteit
Navigation – Plan du site

AccueilNuméros125Dossier. Histoire et mémoire de l...Het militante LGBT-milieu en depo...

Dossier. Histoire et mémoire de la persécution des homosexuel·le·s par les nazis

Het militante LGBT-milieu en deportatie op grond van homoseksualiteit

Een sociologie van de gedachtenis in een engagementscontext
L’espace militant LGBT et la déportation pour motif d’homosexualité. Pour une sociologie de la mémoire en contexte d’engagement
Sam Seydieh
Traduction de Gorik de Henau et Anneleen Spiessens
p. 108-117
Cet article est une traduction de :
L’espace militant LGBT et la déportation pour motif d’homosexualité [fr]

Résumés

Sam Seydieh s’intéresse dans son article à la façon dont les différentes formes d’évocation de la déportation pour motif d’homosexualité (témoignages, recherche des traces, commémorations) contribuent à créer un registre d’engagement singulier au sein de l’espace militant LGBT (lesbien, gay, bi et trans). Il montre ainsi que l’espace militant, au cours de ses transformations et malgré ses divergences, constitue un lieu d’interaction entre plusieurs niveaux de mémoire (mémoires empruntées des militant.e.s, mémoire historique élaborée par les militant.e.s autour d’un passé commun, mémoires communes des luttes). Son article permet de comprendre le rôle de la socialisation militante dans la transmission du sens de ce passé de persécution. Pour expliquer les ressorts d’un engagement basé sur la référence à la déportation pour motif d’homosexualité, son texte saisit ces engagements par le biais d’une analyse des contextes institutionnels d’une part et des carrières militantes d’autre part.

Haut de page

Texte intégral

1De deportatie van homoseksuelen ter sprake brengen is van bijzondere betekenis in het militante LGBT-milieu in Frankrijk. De kwestie heeft namelijk een aantal acties en uitspraken uitgelokt in de loop van de geschiedenis van deze bewegingen – achtereenvolgens als ‘homoseksueel’, ‘gay en lesbisch’ en ‘LGBT’ omschreven – en op die manier mee gestalte gegeven aan het engagement voor de homoseksuele zaak. Welke betekenis krijgt het oorlogsverleden binnen dit engagement? Welke dialectische verhouding ontstaat tussen individu en collectief? Deze algemene vragen vormden de basis van het onderzoek dat ik tussen 2009 en 2016 verrichtte in het raam van mijn proefschrift sociologie (Seydieh 2016). Mijn onderzoek, empirisch van inslag, was meer bepaald gebaseerd op biografische interviews met 22 activisten (m / v) afkomstig uit diverse generaties activisten en verenigingen. Ze hebben gemeen dat ze zich in de loop van hun militante carrière hebben ingezet tijdens collectieve acties die betrekking hadden op het deportatieverleden. Het onderzoek omvat ook twee andere soorten materiaal: enerzijds een reeks observaties tijdens herdenkingsplechtigheden en verenigingsactiviteiten en anderzijds historische documenten, onder andere uit het militante archief. Voortbouwend op dit onderzoek en het materiaal dat ik tijdens al die jaren heb verzameld zal ik in mijn bijdrage bespreken hoe het deportatieverleden wordt verbeeld, gedragen en betekenis krijgt in militante kringen.

  • 1 Die ervaringen van bestraffing en discriminatie bereikten de buitenwereld vanaf het moment dat acti (...)

2Ik voer geen onderzoek naar strategieën en instrumentalisering, en zal dus ook niet verwijzen naar begrippen als ‘abus de la mémoire’ (misbruik van de herinnering, Todorov 1995) of ‘concurrence des victimes’ (concurrentie tussen slachtoffers, Chaumont 1997). Mijn aandacht zal daarentegen uitgaan naar de mensen zelf en de manier waarop zij zich inschrijven in verschillende sociale milieus (Gensburger 2002; 2008; 2014; Gensburger & Lavabre 2005; Lavabre 2000; 2001; 2005; 2007). Zo wordt het mogelijk het militante milieu te beschouwen als een plek voor socialisering en het doorgeven van kennis, begrippen en percepties betreffende het verleden. Bovendien hebben militanten een lange weg afgelegd om uiteindelijk de zaken uit het verleden bespreekbaar en publiceerbaar te maken, met name de bestraffing van homoseksuelen en hun deportatie naar de concentratiekampen. Het militante milieu lijkt in dit opzicht een ‘parallel discursief strijdperk’ (Fraser & Valenta 2001, 138) waarin de ‘ruimte van het zegbare’ (Pollak 1986) groter wordt en discriminatie-ervaringen van gays en lesbiennes op verschillende momenten in de geschiedenis uitspreekbaar worden.1

3Activisten beginnen materiaal over homoseksuele deportatie te verzamelen in een tijd waarin dat feit nog geen deel uitmaakt van het publieke verhaal over de Tweede Wereldoorlog en de naziperiode in Frankrijk. Hun werk om dat verleden toch in beeld te brengen steunt op twee grote pijlers. Een eerste is een sporenonderzoek waarbij verhalen van overlevenden worden verzameld; een tweede is de organisatie van tentoonstellingen, debatten en colloquia, filmvertoningen, voorstellingen en radio-uitzendingen die activisten zelf, maar ook een ruimer publiek, bewust moeten maken van de problematiek. Beide pijlers vormen de basis voor de collectieve acties waarbij vanaf de jaren tachtig wordt geijverd om te mogen deelnemen aan de Franse plechtigheden in het raam van de Journée nationale du souvenir des victimes et héros de la déportation [ Nationale dag ter herinnering van de slachtoffers en helden van de deportatie ]. Welke betekenis geven LGBT-verenigingen nu aan het deportatieverleden in deze context van engagement en activisme?

Kenmerken van militante socialisering binnen het LGBT‑verenigingsleven

  • 2 Voor een discussie over het begrip heteroseksisme: vgl. Wittig (2001), Butler (2005) en Chamberland (...)

4Willen we de kenmerken schetsen van militante socialisering binnen het LGBT-verenigingsleven, moeten we eerst en vooral aangeven waarom de ondervraagden überhaupt bij een LGBT-vereniging terecht zijn gekomen. Tot de aangehaalde redenen behoren steevast de volgende twee: het verlangen om mensen te ontmoeten met wie ze een bepaalde identiteitsopvatting gemeen hebben en de wil om deel te nemen aan specifieke socialiseringsvormen. Bijna alle ondervraagden stellen dat ze zich tot een vereniging wendden om zich via niet-heteroseksuele groepsvorming als ‘gay, lesbisch of trans*’ te doen gelden. Het verloop van het socialiseringsproces is nauw verbonden met de mogelijkheden die dergelijke verenigingen bieden: het voorzien in identificatiemodellen, het construeren van cultureel-historische verwijzingen en het creëren van een socialiseringsruimte (Broqua & de Busscher 2003, 25). De voornaamste reden om toevlucht te zoeken tot militante organisaties is dus, volgens de ondervraagden zelf, hun zoektocht naar een ander soort relaties en socialiseringsvormen gebaseerd op activisme. Los van de waarde die de betrokken individuen aan deze of gene actie of activiteit hechten en ongeacht of ze daar vooraf een (goed) beeld van hebben, draagt het behoren tot een LGBT-collectief actief bij tot hun identiteitsvormingsproces in een heteroseksistische context.2 Om te begrijpen wat het effect is van dat engagement moeten we onderzoeken hoe in militante kringen de geschiedenis wordt doorgegeven, welke betekenis bepaalde feiten krijgen, en welke herinnering zo tot stand komt.

Overdracht in een heteroseksistische context: de rol van militante bewegingen

5In een ruimer perspectief gaan militanten ervan uit dat overdracht in de primaire socialiseringsfase (familiesfeer, school) vol heterocentrische referenties zit. De ervaringen van gays, lesbiennes en transgenders* krijgen daardoor geen plaats in het algemene kennis - en referentiekader. Anders gezegd stoelt het werk van activisten op ‘de ervaring van vervreemding tegenover de heterogenormeerde wereld’ (Broqua 2005, 190), die kenmerkend is voor het identiteitsvormingsproces van gays, lesbiennes en transgenders*. Die ervaring is op diverse manieren te vinden in het biografische traject van alle ondervraagden en wordt telkens anders verwoord naargelang het sociale profiel van de ondervraagde. De militante socialisering lijkt dus vooral een proces waarbij normen, referenties, interpretatieschema’s, rollen en identificatiemodellen worden gedeeld en doorgegeven.

6Verschillende auteurs hebben in het verleden al onderzoek gevoerd naar wat zij ‘het historische of collectieve geheugen van homoseksuelen’ noemen (Broqua 2005; Celse 1997; Celse & Zaoui 2000). Florence Tamagne stelt dat ‘het homoseksuele historische geheugen […] bij gebrek aan familiecontinuïteit of andere directe overdrachtssystemen al te vaak een kortetermijngeheugen blijft, dat door elke nieuwe generatie van gays en lesbiennes opnieuw wordt uitgevonden of aangeleerd’ (Tamagne 2006a, 117). Ze legt meer bepaald nadruk op ‘het streven naar gemeenschappelijke referenten’ om de inhoud te beschrijven van ‘het homoseksuele historische geheugen’. Tegelijk beklemtoont ze dat ‘homoseksuelen a priori geen eengemaakte groep vormen noch per definitie een vergelijkbaar “lot” delen’ (Tamagne 2006a, 117). Als gevolg van het ontbreken van geïnstitutionaliseerde overdrachtsmiddelen worden volgens haar dezelfde vragen over het verleden steeds opnieuw gesteld en ontstaat bij gays en lesbiennes het gevoel dat ze het verleden (her)ontdekken.

7Dat probleem wordt nog scherper als het gaat over de deportatie op grond van homoseksualiteit. De hoofdpersonen van de militante LGBT-sfeer beschouwen dit als een geschikt terrein om het geheugen en de overdracht in stand te houden, maar vragen zich tegelijk af in hoeverre dit mogelijk is. Christophe Broqua (2005) en Michel Celse (1997; 2000) hebben onderzoek gedaan naar de de wijze waarop de herinnering aan de deportatie wordt doorgegeven binnen homoseksuele bewegingen, als het voorbeeld bij uitstek van activistische overdracht. De nadruk ligt daarbij, volgens de atueurs, op de overdracht van de ‘symbolische inhoud’ van ervaringen van andere homoseksuelen uit het verleden. De roze driehoek – die is uitgegroeid tot een herkenbaar beeld dat staat voor die deportatie, toch minstens in militante kringen – vormt het vertrekpunt van hun onderzoek. Ze bestuderen hoe ‘het historische of collectieve geheugen van homoseksuelen’ tot stand kwam, en dan meer bepaald binnen een activistische groepssfeer. Volgens Broqua (2005, 265-266) heeft die collectieve omgeving ervoor gezorgd dat wel de ‘betekenis’ werd doorgegeven van ervaringen van homoseksuelen uit het verleden, maar niet de herinneringen zelf. De betekenissen van de roze driehoek in de militante verbeelding, van gesymboliseerde inhoud tot ‘pijnlijke verhouding tot een tragisch afwezig verleden’ (Celse 1997, 45), reiken duidelijk verder dan alleen maar de deportatiegeschiedenis. Het feit dat zulk symbolisch object wordt ingezet voor de herinneringsoverdracht toont aan hoe zeer die is ‘geritmeerd’ (Rosoux 2011, 58). Als we er inderdaad van uitgaan dat de overdracht volgens een variërend ritme verloopt, merken we enerzijds dat de overdracht snel op een aantal grenzen botst die zijn opgelegd door officiële herinneringsmodellen, en anderzijds dat andere sociale actoren een belangrijke rol spelen in het doorgeven van de geschiedenis. Aangezien er weinig ruimten zijn voor de overdracht van kennis en beelden omtrent deportatie op grond van homoseksualiteit – al moet dit worden genuanceerd al naargelang context of periode – vormen verenigingen een toegangsweg om het verleden te benaderen. Bovendien zijn verenigingen ruimten waarin contacten tussen de generaties tot stand kunnen komen.

‘En être’, speciaal nummer van het tijdschrift Interlopes (april 1979). Interlopes werd uitgegeven door de Groupe de Libération Homosexuel van Lyon tussen 1977 en 1979

‘En être’, speciaal nummer van het tijdschrift Interlopes (april 1979). Interlopes werd uitgegeven door de Groupe de Libération Homosexuel van Lyon tussen 1977 en 1979

© Departement Filosofie, geschiedenis en menswetenschappen van de Bibliothèque Nationale de France.

8Voor een beter begrip van de omstandigheden waarin militante overdracht plaatsvindt, is het belangrijk te onderzoeken hoe twee gedachtenisniveaus tot stand komen: de ‘geleende’ gedachtenis en de militante gedachtenis. Die laatste bestaat ook weer uit twee soorten. De eerste omvat de gedeelde herinneringen aan gezamenlijk beleefde gebeurtenissen; het gaat dan om homoseksuele deporatie zoals die in nationaal verband wordt herdacht. Een tweede soort heeft betrekking op de militante historische gedachtenis en omvat allerlei materiële bronnen: symbolische teksten, historische werken, tijdschriften die in de militante sfeer ter zake een referentie zijn geworden, interne publicaties van verenigingen. De perceptie van het deportatieverleden in militante kringen, zo blijkt, is onlosmakelijk verbonden met de herinnering aan de strijd voor de erkenning ervan – een strijd die deel uitmaakt van de meer algemene herinneringscultuur van het verenigingsactivisme (Seydieh 2016).

Wisselwerking tussen twee herinneringsniveaus

9Mensen hebben een geleend geheugen, dat gebaseerd is op wat ze hebben geleerd uit schoolboeken, maar ook op allerlei soorten historische verwijzingen die ze in de loop van hun leven oppikken (Halbwachs 1997, 98-99). De gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog, een belangrijke episode uit de hedendaagse geschiedenis, maken deel uit van de historische verwijzingen die de ondervraagden zich op diverse manieren hebben eigen gemaakt. Het ene feit weegt echter al zwaarder binnen ons wereldbeeld dan het andere. Mensen weten bijvoorbeeld dat deportatie heeft plaatsgevonden als gevolg van het nazibeleid, maar deportatie op grond van homoseksualiteit in het bijzonder is minder bekend dan andere soorten deportatie. De helft van de ondervraagden uit ons onderzoek zegt dat ze geen weet hadden van homoseksuele deportatie vóór ze zich als activist in een LGBT-vereniging engageerden. De anderen waren vooraf wél op de hoogte. Hun kennis over die historische gebeurtenis, door de meesten omschreven als ‘heel vaag’, is beperkt tot een summiere notie van het bestaan van de ‘roze driehoeken’. Interessant genoeg is de belangrijkste bron van informatie de afbeelding van de roze driehoek, het symbool van de deportatie op grond van homoseksualiteit. Die wordt steevast opgelijst in de tabel met concentratiekampmerktekens in Dachau en staat dus gepubliceerd in ontelbare boeken (inclusief schoolboeken). In dat verband is het boek van Jean-Baptiste Pattier opmerkelijk, waarin de auteur de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog bestudeert in schoolboeken uit negen Europese landen tussen de jaren vijftig en de jaren 2000. Hij wijst erop dat het historiografische vocabularium voortdurend verandert, net als het discours dat de historische gegevens moet verklaren. Aangaande de deportatie van homoseksuelen vermeldt hij de ‘vaagheid’ van schoolboeken die er ‘met moeite iets over zeggen’ (Pattier 2012, 97‑98).

Deze tekening verscheen in de catalogus van de tentoonstelling ‘Les triangles roses: la mémoire interdite’ [De roze driehoeken: de verboden herinnering], samengesteld door het collectief Les Flamands Roses (Rijsel, 1994)

Deze tekening verscheen in de catalogus van de tentoonstelling ‘Les triangles roses: la mémoire interdite’ [De roze driehoeken: de verboden herinnering], samengesteld door het collectief Les Flamands Roses (Rijsel, 1994)

© Archieven van de Flamands Roses.

10Toch kunnen de ondervraagden doorgaans niet zeggen in welke context ze hun kennis precies hebben verworven. We moeten meegeven dat de ondervraagde personen tot verschillende leeftijdscategorieën behoren. Dit is niet zonder gevolgen voor hun socialisering, want die verloopt niet altijd in een homogene ruimte en binnen vergelijkbare denkkaders. Bijgevolg hadden sommigen al naargelang de periode via het internet toegang tot informatie over homoseksualiteit, onder meer betreffende de nazivervolging van homoseksuelen, terwijl anderen simpelweg niet over dat instrument beschikten. De verhouding tot het verleden en de plaats die homoseksuele deportatie daarin inneemt, hebben dus deels te maken met het kennisniveau van de ondervraagden.

  • 3 Het verhaal van Pierre Seel (1994) werd opgetekend in samenwerking met de activist Jean Le Bitoux, (...)

11Nochtans wijst Halbwachs erop dat abstracte kennis alleen nog niet uitmondt in gedachtenis, want een historisch begrip is op zichzelf enkel een leeg kader (Halbwachs 1997, 120-121). In de lijn van dit idee toon ik in mijn enquête aan dat de militante sfeer de ruimte vormt waarin die abstracte kennis zich kan laven aan levendige herinneringen. Voor het individu dat binnen een vereniging sociale banden aangaat, komt het verleden tot leven dankzij herinneringen van heel uiteenlopende aard. Er zijn bijvoorbeeld de persoonlijke herinneringen van overlevenden van de deportatie, die worden opgerakeld in het bijzijn van activisten of waarvan het opgetekende verslag in militante kringen wordt verspreid. Wie bijvoorbeeld Pierre Seel heeft ontmoet, de enige Franse getuige die met zijn verhaal naar buiten is gekomen, kon zich op emotionele wijze verhouden tot zijn herinneringen. Het opsporen van zulke herinneringen krijgt pas zijn volle betekenis in de militante sfeer, waar ze worden gebruikt als bewustmakingsinstrument.3

12Op dit gedachtenisniveau vinden we voorts de levendige gedachtenis terug, dus de persoonlijke herinneringen van activisten die een ervaring delen en samen actie hebben gevoerd, meer bepaald tijdens herdenkingsplechtigheden. Het feit dat ze bij hun eerste contacten met andere militanten direct te maken krijgen met deze vorm van gedachtenis vormt voor alle ondervraagden de communicatieve basis om zich vervolgens in te schrijven in twee soorten dynamieken: enerzijds de visie op het verleden zoals die in dat milieu tot stand komt en die grotendeels afhankelijk is van de wijze waarop nieuwelingen de persoonlijke herinneringen interpreteren; anderzijds de militante acties die de continuïteit van de twee gedachtenisniveaus verzekeren. De meeste ondervraagden vernemen pas bij hun toetreding tot een LGBT-vereniging dat er een strijd aan de gang is voor de publieke erkenning van deportatie op grond van homoseksualiteit.

13De ‘activistenfilter’ heeft een aanzienlijke invloed op de betekenis die de ondervraagden zullen toekennen aan de deportatie. Hun engagement binnen de vereniging verandert dus hun individuele wereldbeeld, want het wordt afgestemd op een aantal ijkpunten van de militante historische gedachtenis. Het ‘geheugen van de deportatie op grond van homoseksualiteit’ is heel erg gebaseerd op het militante strijdverleden zoals dat vandaag wordt begrepen. In sommige gevallen ‘ontdekt’ het individu in kwestie het bestaan van homoseksuele deportatie op het moment dat hij of zij contact zoekt met een militante beweging, terwijl anderen vooraf op de hoogte waren maar vervolgens ontdekken wat dit alles ‘werkelijk’ betekent. Het is uiteraard bijzonder interessant om vast te stellen dat (nieuwe) betekenissen tot stand komen dankzij ontmoetingen en uitwisseling met andere activisten. De bewustwording, ontdekking, bevatting en kennis van een historisch feit zijn onlosmakelijk verbonden met de context waarin dat proces plaatsvindt. Er is met andere woorden een verband met het moment waarop nieuwkomers in een vereniging ‘begrijpen’ hoe activisten die de deporatieherinnering belichamen worden ‘behandeld’ tijdens een publieke plechtigheid.

14Voor nieuwkomers krijgt het verleden dus betekenis vanuit een actuele ervaring. In dat proces is één bepaalde factor doorslaggevend, namelijk het besef dat er een ‘militante strijd’ wordt geleverd om de homoseksuele deportatie een plaats te geven in de nationale herinneringscultuur. Zo stellen de ondervraagden vast dat bij officiële herdenkingen niet alle categorieën gedeporteerden dezelfde aandacht genieten. De begrippen die in deze context telkens opduiken – ‘nooit meer’, ‘tegen het vergeten’ – en die de meeste ondervraagden sinds hun schooltijd kennen, worden opnieuw onder de loep genomen en krijgen een andere invulling door hun engagement. Wie zich collectief inzet om te strijden voor de erkenning van homoseksuele deportatie bij herdenkingen, zo leert ons het traject van de activisten, verandert zijn of haar kijk op het (nationaal, familiaal) verleden. Of ze nu vooraf kennis hadden van de historische feiten of niet, hun geleende geheugen wijzigt hoe dan ook door hun engagement. Voor de meeste ondervraagden is het tijdstip waarop ze aan activisme gaan doen het moment waarop abstracte referenties veranderen in een bron van concrete actie.

15Via hun betrokkenheid bij militante acties krijgen de ondervraagden een beter zicht op de notie zelf van een ‘gedeeld verleden’ – in alle meerduidigheid, dat wil zeggen het verleden van homoseksuelen, homoseksualiteit, de homoseksuele strijd enzovoort. Willen ze zich in een collectief inzetten, moeten ze een standpunt innemen tegenover het verleden van dat collectief, met alle consequenties voor het heden. Los van de persoonlijke herinneringen van levende activisten wordt de militante historische gedachtenis doorgegeven als nieuwkomers zich mettertijd vertrouwd maken met standaardwerken binnen het militante milieu. Pamfletten, brochures, nieuwsbrieven, boeken en tijdschriften zijn evenzoveel instrumenten om je kennis aangaande het verleden uit te diepen. Via de toe-eigening van het militante verleden krijgt het begrip ‘verleden’ een ruimere betekenis. De ondervraagden verwijzen naar voorbeelden van strijd waaraan ze niet zelf hebben deelgenomen maar die ze wel gebruiken als ijkpunt om hun eigen engagement in het heden te situeren.

De ‘misvieringen’ zijn performances die deel uitmaken van de ‘herinneringsgeloften’ van de Zusters (les Soeurs). Het is één van de belangrijkste pijlers van hun engagement en brengt de homoseksuele deportatie in herinnering

De ‘misvieringen’ zijn performances die deel uitmaken van de ‘herinneringsgeloften’ van de Zusters (les Soeurs). Het is één van de belangrijkste pijlers van hun engagement en brengt de homoseksuele deportatie in herinnering

© Facebookpagina van Couvent du Nord.

16Door wat we net hebben gezegd over de wisselwerking tussen de geleende herinneringen van ondervraagden en militante herinneringen mag niet de indruk ontstaan dat de visie van personen op het verleden zich beperkt tot die twee gedachtenisniveaus. Om zowel de drijfveren van het engagement als de herdenking van het verleden te begrijpen moeten ze zich bezinnen over andere gedachtenisniveaus en socialiseringservaringen. We wijzen in het bijzonder op socialisering binnen de familiesfeer en andere militante middens (vakbonden, verenigingen, strijdgroepen). Het leerproces tijdens socialisering binnen de familiesfeer fungeert inderdaad als een ‘kennisreserve’ (Schütz 1998), terwijl engagement op andere plekken vooral gaat bepalen hoe iemand denkt dat publiek engagement aangaande de herdenking van homoseksuele deportatie er moet uitzien.

Besluit

17Wie toetreedt tot een vereniging doorloopt een leerproces vol ontdekkingen maar ook onzekerheid over de mogelijkheden om zich te engageren. Eerst moet een nieuweling zich de geldende regels en gangbare praktijken eigen maken. Dat gebeurt via relaties en interacties tijdens algemene vergaderingen, bijeenkomsten, groepsmomenten en acties waarbij andere personen uit de vereniging of het verenigingsleven betrokken zijn. Onderzoek naar het belang van de herdenking van de deportatie moet zich dus voornamelijk richten op een analyse van de intersubjectieve relaties binnen verenigingen. Via hun banden met sleutelfiguren van de militante strijd om erkenning en herinnering gaan nieuwkomers deel uitmaken van de engagementscultuur. De herinnering aan het deportatieverleden kunnen we beschouwen als een essentieel aspect van de acties die de verschillende bewegingen in de loop van de geschiedenis hebben gevoerd. Dat komt omdat die gebeurtenissen belangrijk zijn in het proces van identiteitsvorming. De specifieke strijd voor zichtbaarheid en erkenning van homoseksuele deportatie weet zo veel mensen te mobiliseren omdat er een nauw verband is met hun persoonlijke ervaringen in een heteroseksistische context en met wat velen beschouwen als een geschiedenis van homoseksuele discriminatie. Toch is de ‘weerklank’ van het verleden in het heden niet vanzelfsprekend of eenduidig. Wie meer te weten komt over homoseksuele deportatie – of dat nu voor of na zijn of haar engagement gebeurt – moet een reeks strategieën aanleren om dat verleden te interpreteren en inzichtelijk te maken. Die interpretatiemechanismen raken vervlecht met het levensverhaal van de ondervraagden, met hun uiteenlopende persoonlijke ervaringen en hun zoektocht naar hun identiteit als gay, lesbienne of transgender.

18De historische feiten alleen volstaan niet om die identiteit vorm te geven. Het is de manier waarop ze binnen de militante sfeer worden opgetekend en doorgegeven die maakt dat er een bepaalde verhouding ontstaat tussen het individu en de groep, die een motivatie kan zijn om tot actie over te gaan. Verenigingen en activisten beschouwen de herinnering aan dat verleden, zoals die wordt gekoesterd in militante middens, als een antwoord op vele van hun vragen. Dat opent perspectieven: mensen geven zin aan hun persoonlijke traject door te verwijzen naar het verleden, terwijl het voor verenigingen het startpunt vormt voor hun acties. De vorm die het engagement aanneemt – deelnemen aan een herdenking, voorstellingen maken, een leidersfiguur worden, de biografie van een overlevende schrijven – wordt dus zowel beïnvloed door de mogelijkheden die de groep schept als door individuele bijdragen. Die dialectiek tussen enerzijds de noodzakelijke groepscontext voor het herdenken en interpreteren van het verleden en anderzijds de individuen die dat verleden een bepaalde zin geven afhankelijk van hun eigen levensloop verklaart het bonte karakter van het engagement in termen van stijl, intensiteit en einddoel.

Het militante LGBT-milieu en deportatie op grond van homoseksualiteit Plechtigheid op de Journée du souvenir des victimes et des héros de la déportation [ Nationale dag ter herinnering van de slachtoffers en helden van de deportatie ] aan het Memoriaal voor de martelaren van de deportatie, Île de la Cité. Rechts op de foto staat de vaandeldrager van de vereniging ‘Les Oublié.e.s de la mémoire’. Parijs, 28 mei 2013

Het militante LGBT-milieu en deportatie op grond van homoseksualiteit Plechtigheid op de Journée du souvenir des victimes et des héros de la déportation [ Nationale dag ter herinnering van de slachtoffers en helden van de deportatie ] aan het Memoriaal voor de martelaren van de deportatie, Île de la Cité. Rechts op de foto staat de vaandeldrager van de vereniging ‘Les Oublié.e.s de la mémoire’. Parijs, 28 mei 2013

© Sam Seydieh.

19Tot slot is het recht van spreken, of de mogelijkheid om hun homoseksuele ervaring te delen en te benoemen, voor de ondervraagden een verbindend element tussen heden en verleden. Het feit dat gedeporteerde, geïnterneerde en vervolgde homoseksuelen niet over hun lot konden spreken, doet denken aan de weg die homoseksuelen in het algemeen afleggen voor ze zich kunnen uiten, en dan ook nog eens zonder schaamtegevoel. De herinnering aan het verleden blijft overigens niet beperkt tot het lot van homoseksuelen in de concentratiekampen, maar beslaat ook de maatschappelijke omstandigheden die maken dat homoseksualiteit wordt doodgezwegen. Activisten werken strategieën uit om een gebeuren zichtbaar te maken dat gehuld gaat in stilte en door de ‘meerderheid’ niet wordt begrepen, en proberen op die manier modellen aan te reiken aan wie op zoek is naar figuren en verhalen om in een heteroseksistische wereld vorm te geven aan zijn of haar identiteit.

Haut de page

Bibliographie

Christophe Broqua, Agir pour ne pas mourir ! Act Up, les homosexuels et le sida, Parijs: Presses de la Fondation Nationale des Sciences Politiques, 2005.

Christophe Broqua & Pierre-Olivier de Busscher, ‘La crise de la normalisation. Expérience et condition sociales de l’homosexualité en France’, in Christophe Broqua, France Lert & Yves Souteyrand (red.), Homosexualité au temps du sida. Tensions sociales et identitaires, Parijs: Agence nationale de recherches sur le sida, 2003, 19‑33.

Judith Butler, Trouble dans le genre. Le féminisme et la subversion de l’identité, Parijs: La Découverte, 2005.

Michel Celse, ‘Il paraît que le mouvement gai a cent ans...’, Vacarme 3, 1997, 44-47.

Michel Celse & Pierre Zaoui, ‘Négation, dénégation : la question des triangles roses’, in Philippe Mesnard (red.), Consciences de la Shoah: Critique des discours et des représentations, Parijs: Kimé, 2000, 203‑222.

Line Chamberland & Christelle Lebreton, ‘Réflexions autour de la notion d’homophobie: succès politique, malaises conceptuels et application empirique’, Nouvelles Questions Féministes 31, 2012, 27‑43.

Jean-Michel Chaumont, La concurrence des victimes. Génocide, identité, reconnaissance, Parijs: La Découverte, 1997.

FHAR, Rapport contre la normalité, Parijs: Champ libre, 1971.

Nancy Fraser & Muriel Valenta, ‘Repenser la sphère publique: une contribution à la critique de la démocratie telle qu’elle existe réellement’, Hermès 31, 2001, 125‑156.

Sarah Gensburger, ‘Les figures du Juste et du résistant et l’évolution de la mémoire historique française de l’occupation’, Revue française de science politique 52, 2002, 291‑322.

Sarah Gensburger, ‘Réflexion sur la notion de “politique de la mémoire”’, in Michel Offerlé & Henry Rousso (red.), La Fabrique interdisciplinaire. Histoire et science politique, Rennes: Presses Universitaires de Rennes, 2008, 133-147.

Sarah Gensburger, ‘Comprendre la multiplication des journées de commémoration nationale. Étude d’un instrument d’action publique de nature symbolique’, in Charlotte Halpern, Pierre Lascoumes & Patrick Le Galès (red.), L’instrumentation de l’action publique, Presses de Sciences Po, 2014, 345‑366.

Sarah Gensburger & Marie-Claire Lavabre, ‘Entre “devoir de mémoire” et “abus de mémoire” : la sociologie de la mémoire comme tierce position’, in Bertrand Müller (red.), Histoire, mémoire et épistémologie. À propos de Paul Ricœur, Lausanne: Payot, 2005, 76‑95.

Maurice Halbwachs, La mémoire collective, Parijs: Albin Michel, 1997.

Heinz Heger, De mannen met de roze driehoek: het verslag van een homoseksueel over zijn gevangenschap in het concentratiekamp van 1939 tot 1945 [ 1972 ], uit het Duits vertaald door A. J. Gerritsen, Amsterdam: Pegasus, 982.

Marie-Claire Lavabre, ‘Usages et mésusages de la notion de mémoire’, Critique internationale 7, 2000, 48‑57.

Marie-Claire Lavabre, ‘De la notion de mémoire à la production des mémoires collectives’, in Daniel Cefaï (red.), Cultures politiques, Parijs: Presses Universitaires de France, 2001, 233‑252.

Marie-Claire Lavabre, ‘Halbwachs: les fondements d’une sociologie empirique de la mémoire’, in Hermann Krapoth & Denis Laborde (red.), Erinnerung und Gesellschaft. Mémoire et société, Berlijn: VS Verlag für Sozialwissenschaften, 2005, 233‑244.

Marie-Claire Lavabre, ‘Paradigmes de la mémoire’, Transcontinentales 5, 2007, 139‑147.

Jean Le Bitoux, Les oubliés de la mémoire, Parijs: Hachette, 2002.

Jean-Baptiste Pattier, Vérités officielles. Comment s’écrit l’histoire de la Seconde Guerre mondiale ?, Parijs: Vendémiaire, 2012.

Michael Pollak, ‘Le témoignage’, Actes de la recherche en sciences sociales 62-63, 1986, 3‑29.

Valérie Rosoux, ‘Mémoire et résolution des conflits. Quelle transmission au lendemain d’une guerre ?’, in Nathalie Burnay (red.), Transmission, Mémoire et reconnaissance, Fribourg: Academic Press Fribourg, 2011, 57‑80.

Jean-Luc Schwab, Rudolf Brazda. Itinéraire d’un Triangle rose, Parijs: Florent Massot, 2010.

Pierre Seel, Moi, Pierre Seel, déporté homosexuel, Parijs: Calmann-Lévy, 1994.

Sam Seydieh, Déportation pour motif d’homosexualité et mouvement LGBT en France. Évocations du passé: entre engagement militant et cadre institutionnel, doctoraatsverhandeling in de sociologie, Université Paris Descartes, 2016.

Florence Tamagne, ‘La construction d’une mémoire historique homosexuelle’, Controverses 2, 2006, 116‑127.

Florence Tamagne, ‘La déportation des homosexuels durant la Seconde Guerre mondiale’, Revue d’éthique et de théologie morale 239, 2006, 77‑104.

Tzvetan Todorov, Les abus de la mémoire, Parijs: Arléa, 1995.

Monique Wittig, La pensée straight, Parijs: Balland, 2001.

Haut de page

Notes

1 Die ervaringen van bestraffing en discriminatie bereikten de buitenwereld vanaf het moment dat activisten denkcategorieën creëerden om de onderdrukking van vroeger en nu te analyseren. Ik denk daarbij vooral aan de woordenschat die ingang vond bij het FHAR (Front Homosexuel d’Action Révolutionnaire). Een mooi voorbeeld daarvan is ‘antihomoseksueel racisme’ (FHAR 1971), later vervangen door ‘homofobie’. Die parallellie, ook benadrukt door Florence Tamagne (2006b, 78), werd bevestigd door de ‘coming-out’ van Pierre Seel, tot op vandaag de enige Fransman die heeft getuigd over zijn opsluiting door de nazi’s op grond van homoseksualiteit. Hij werd van mei tot november 1941 geïnterneerd in het kamp Schirmeck en trad in 1982 uit de anonimiteit. Hij confronteerde activisten met de levendige herinnering aan een gebeurtenis waarvan ze nauwelijks besef hadden. Zijn verhaal werd opgetekend door Jean-Pierre Joecker en Jean Le Bitoux, twee Parijse activisten uit de GLH (Groupes de Libération Homosexuelle), die beiden ook tot de oprichters van het tijdschrift Le Gai Pied behoorden. In 1981 getuigde Pierre Seel anoniem tijdens de voorstelling van de vertaling van het boek van Heinz Heger in Toulouse. In Les hommes au triangle rose (De mannen met de roze driehoek), waarvan de oorspronkelijke Duitse uitgave dateert van 1972, vertelde Heinz Heger het verhaal van zijn arrestatie en opsluiting. Heger (echte naam: Joseph Cohout) was een Oostenrijker die in 1939 vanwege homoseksualiteit naar Sachenhausen werd gedeporteerd. Het was de eerste maal dat in Frankrijk een getuigenis werd gepubliceerd van een homoseksueel over zijn concentratiekampervaring, en het bood Pierre Seel een unieke kans om zijn verhaal te doen bij Jean-Pierre Joecker (Le Bitoux 2002, 198).

2 Voor een discussie over het begrip heteroseksisme: vgl. Wittig (2001), Butler (2005) en Chamberland & Lebreton (2012).

3 Het verhaal van Pierre Seel (1994) werd opgetekend in samenwerking met de activist Jean Le Bitoux, een van de pioniers van Mémorial de la Déportation Homosexuelle (opgericht in 1989), de eerste Franse vereniging die zich specifiek bezighoudt met deportatie op grond van homoseksualiteit. De leden van Oublié.e.s de la mémoire, de tweede vereniging ter zake (opgericht in 2003), verzamelden herinneringen en getuigenissen vertrekkend van het verhaal van Rudolf Brazda (Schwab 2010), ‘de laatste overlevende roze driehoek’.

Haut de page

Table des illustrations

Titre ‘En être’, speciaal nummer van het tijdschrift Interlopes (april 1979). Interlopes werd uitgegeven door de Groupe de Libération Homosexuel van Lyon tussen 1977 en 1979
Crédits © Departement Filosofie, geschiedenis en menswetenschappen van de Bibliothèque Nationale de France.
URL http://journals.openedition.org/temoigner/docannexe/image/6530/img-1.jpg
Fichier image/jpeg, 432k
Titre Deze tekening verscheen in de catalogus van de tentoonstelling ‘Les triangles roses: la mémoire interdite’ [De roze driehoeken: de verboden herinnering], samengesteld door het collectief Les Flamands Roses (Rijsel, 1994)
Crédits © Archieven van de Flamands Roses.
URL http://journals.openedition.org/temoigner/docannexe/image/6530/img-2.jpg
Fichier image/jpeg, 176k
Titre De ‘misvieringen’ zijn performances die deel uitmaken van de ‘herinneringsgeloften’ van de Zusters (les Soeurs). Het is één van de belangrijkste pijlers van hun engagement en brengt de homoseksuele deportatie in herinnering
Crédits © Facebookpagina van Couvent du Nord.
URL http://journals.openedition.org/temoigner/docannexe/image/6530/img-3.jpg
Fichier image/jpeg, 124k
Titre Het militante LGBT-milieu en deportatie op grond van homoseksualiteit Plechtigheid op de Journée du souvenir des victimes et des héros de la déportation [ Nationale dag ter herinnering van de slachtoffers en helden van de deportatie ] aan het Memoriaal voor de martelaren van de deportatie, Île de la Cité. Rechts op de foto staat de vaandeldrager van de vereniging ‘Les Oublié.e.s de la mémoire’. Parijs, 28 mei 2013
Crédits © Sam Seydieh.
URL http://journals.openedition.org/temoigner/docannexe/image/6530/img-4.jpg
Fichier image/jpeg, 723k
Haut de page

Pour citer cet article

Référence papier

Sam Seydieh, « Het militante LGBT-milieu en deportatie op grond van homoseksualiteit »Témoigner. Entre histoire et mémoire, 125 | 2017, 108-117.

Référence électronique

Sam Seydieh, « Het militante LGBT-milieu en deportatie op grond van homoseksualiteit »Témoigner. Entre histoire et mémoire [En ligne], 125 | 2017, mis en ligne le 24 décembre 2021, consulté le 28 novembre 2022. URL : http://journals.openedition.org/temoigner/6530 ; DOI : https://doi.org/10.4000/temoigner.6530

Haut de page

Auteur

Sam Seydieh

Université Paris-Descartes

Haut de page

Droits d’auteur

Tous droits réservés

Haut de page
Rechercher dans OpenEdition Search

Vous allez être redirigé vers OpenEdition Search